Uitleg bevoegdheid volgens de wet
Op deze pagina wordt uitgelegd hoe de bevoegdheid van docenten wettelijk geregeld
is. De volgende onderdelen komen aan de orde:
Bekwaam, bevoegd, benoembaar
Om een leraar te kunnen benoemen, moet hij/zij bekwaam en bevoegd of benoembaar
zijn. Daarnaast geldt dat iedere leraar op het moment van benoeming moet beschikken
over een verklaring omtrent het gedrag. Ook mag hij/zij niet door een rechterlijke
uitspraak zijn uitgesloten van het geven van onderwijs. Hieronder worden de verschillen
tussen de termen bekwaam, bevoegd en benoembaar uitgelegd.
Bekwaam
Leraren zijn bekwaam als zij aan de bekwaamheidseisen voldoen die in de wet zijn
vastgelegd. Als leraren met een diploma van de lerarenopleiding afkomen, zijn zij
startbekwaam voor het beroep van leraar. Tijdens hun loopbaan moeten leraren hun
bekwaamheid onderhouden.
De bekwaamheidseisen omvatten de kennis en vaardigheden waaraan een leraar moet
voldoen om te mogen lesgeven. De bekwaamheidseisen zijn onder andere interpersoonlijk,
pedagogisch, vakinhoudelijk, vakdidactisch en organisatorisch van aard en worden
ook wel de 7 SBL-competenties genoemd, omdat ze tot stand zijn gekomen onder regie
van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander
onderwijspersoneel (het SBL).
Bevoegd
Vanaf 1 augustus 2006 (inwerkingtreding van de Wet op de Beroepen in het Onderwijs)
geldt dat Leraren bevoegd zijn als zij een getuigschrift hoger onderwijs van een
lerarenopleiding hebben. Hieruit blijkt dat zij aan de bekwaamheidseisen voldoen.
Leraren die al vóór 1 augustus 2006 een bevoegdheid hebben behaald, behouden deze.
Benoembaar
Onder bepaalde voorwaarden zijn leraren ook benoembaar als zij nog niet bevoegd
zijn maar wel: a) een leraar in opleiding (LIO) zijn , b) een zij-instromer zijn
of c) volgens de wet tijdelijk onbevoegd mogen werken. Hieronder wordt uiteengezet
welke benoemingseisen per sector gelden. Onder bepaalde voorwaarden zijn leraren
ook benoembaar als zij nog niet bevoegd zijn maar wel:
- een leraar in opleiding (LIO) zijn;
- een zij-instromer zijn; of
- volgens de wet tijdelijk onbevoegd mogen werken.
Hieronder wordt uiteengezet welke benoemingseisen per sector gelden.
Naar boven
Bevoegdheid in het voortgezet onderwijs
Hoofdregel
De hoofdregel luidt als volgt: De leraar in het voortgezet onderwijs moet voor het
vak waarin hij lesgeeft een diploma hebben van de lerarenopleiding voor één van
de twee te onderscheiden gebieden:
- de tweedegraads lerarenopleiding: voor het vmbo, de eerste drie leerjaren havo en
vwo, het praktijkonderwijs en educatie en beroepsonderwijs (het gebied vo/bve);
- de eerstegraads lerarenopleiding: voor de bovenbouw havo en vwo (het gebied vho).
Geen passende bevoegdheid, toch benoembaar
In afwijking van deze hoofdregel is er in de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO)
een aantal uitzonderingen bepaald dat aangeeft onder welke voorwaarden iemand die
nog niet bevoegd is, toch kan worden benoemd. We spreken dan vaak van benoembare
leraren. De grootste groepen benoembare leraren zonder passende onderwijsbevoegdheid
zijn:
- De LIO’s, leraren in opleiding die in de laatste fase van hun studie duaal worden
opgeleid.
- De zij-instromers. Mensen van buiten het onderwijs met een getuigschrift Hoger Onderwijs
die op basis van een geschiktheidsverklaring een aanstelling kunnen krijgen als
leraar voor maximaal twee jaar. Tegelijkertijd volgen zij een opleidings- en begeleidingstraject
als zij-instromer. Dat traject moet binnen twee jaar na aanstelling worden afgesloten
met een getuigschrift van de lerarenopleiding. Er kan in bijzondere gevallen nog
twee jaar uitstel worden verleend.
- Leraren die een ander vak geven (dan waarvoor zij bevoegd zijn). Dan kan dat voor
ten hoogste twee jaar. Daarbij geldt de eis dat de leraar scholing gaat volgen om
binnen twee jaar alsnog de passende bevoegdheid te gaan halen. Ook hier kan in bijzondere
gevallen nog twee jaar uitstel worden verleend.
- Tweedegraders in eerstegraads gebied. Een leraar met een tweedegraads bevoegdheid
mag voor maximaal 1 jaar ook in de bovenbouw van havo en vwo zijn vak geven. Dat
mag voor maximaal de helft van zijn betrekkingsomvang. Leraren met een tweedegraads
bevoegdheid mogen op een school maximaal maar 5% van het totale aantal lessen geven
in de bovenbouw van havo en vwo. De school is verplicht dit te melden aan de Inspectie
van het Onderwijs.
- Soms wordt er op school gewerkt met kernteams voor combinaties van vakken. Dat kan
alleen in de eerste twee leerjaren. Voor elk van de met elkaar gecombineerde vakken
is een bevoegde leraar aangesteld binnen het kernteam. De vakoverstijgende programmaonderdelen
mogen door alle leraren van het team gegeven worden. De werkzaamheden worden altijd
verricht onder verantwoordelijkheid van het team.
- Soms komt het voor dat er een vak wordt gegeven waarvoor geen lerarenopleiding bestaat.
De minister van OCW kan aan een leraar, voor een vak of een programmaonderdeel waarvoor
geen lerarenopleiding bestaat, een verklaring afgeven dat hij bij de benoeming als
leraar geacht wordt aan de bekwaamheidseisen te voldoen.
- Tot slot geeft de wet in artikel 33, derde lid WVO nog een mogelijkheid om onbevoegde
leraren te benoemen in noodgevallen wanneer voor een vacature of ter vervanging
van een tijdelijk afwezige leraar geen bevoegde leraar kan worden aangetrokken.
In dat geval mag telkens voor ten hoogste 1 jaar een onbevoegde leraar worden benoemd
of aangesteld.
Naar boven
Bevoegdheid in het basisonderwijs
Hoofdregel
Voor het basisonderwijs geldt de regel dat als iemand een getuigschrift aan de lerarenopleiding
basisonderwijs (pabo, pedagogische academie, kweekschool) heeft behaald, zij of
hij daarmee voldoet aan de bekwaamheidseisen om te kunnen worden benoemd als groepsleerkracht.
Hij of zij mag dan alle vakken geven, behalve lichamelijke oefening aan groep 3
tot en met 8 (zie onderstaand bij ‘bewegingsonderwijs’).
Bewegingsonderwijs
De lerarenopleiding basisonderwijs leidt sinds 1 augustus 2001 niet meer op voor
bewegingsonderwijs aan alle groepen. Leraren die na 1 september 2005 een diploma
hebben gehaald aan de lerarenopleiding basisonderwijs, mogen alleen bewegingsonderwijs
geven aan groep 1 en 2. Om aan groep 3 en hoger les te kunnen geven, hebben zij
een speciaal diploma nodig. Door het voltooien van de ‘Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs
via de Pabo’ kunnen zij alsnog voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het geven van
bewegingsonderwijs in de groepen 3 tot en met 8.
Vakleerkrachten in het primair onderwijs
Daarnaast werken er ook vakleerkrachten in het primair onderwijs; zij moeten een
bevoegdheid voor het voortgezet onderwijs hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor muziek,
handvaardigheid en tekenen.
Naar boven
Bevoegdheid in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
Voor een leraar in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs gelden
dezelfde eisen als voor een leraar in het (speciaal) basisonderwijs. Er bestaat
een masteropleiding special education needs (voorheen de voortgezette opleiding
speciaal onderwijs). Deze opleiding is niet wettelijk verplicht, maar een groot
deel van de leraren in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs heeft deze
opleiding wel gevolgd. De werkgever kan eisen dat de leraar deze opleiding volgt.
Naar boven
Bevoegdheid in het middelbaar beroepsonderwijs
Hoofdregel
Voor de vakken in het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie geldt
dezelfde hoofdregel als voor het zogenoemde tweedegraadsgebied van het voortgezet
onderwijs: de docent moeten voor het vak waarin hij/zij lesgeeft een diploma hebben
van de tweedegraads- of eerstegraads lerarenopleiding.
Een instelling in het middelbaar beroepsonderwijs kan een docent in elk vak benoemen
als deze voldoet aan de bekwaamheidseisen, wat blijkt uit het bezit van:
- een getuigschrift van een lerarenopleiding voortgezet onderwijs van een hogeschool
of een universitaire lerarenopleiding, of
- een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring en getuigschrift pedagogisch
didactische scholing WEB (ook wel pedagogisch-didactische aantekening genoemd).
Naar boven